Op het einde van zijn leven schilderde Pieter Bruegel de oude (1525-1569) vooral volkse taferelen en scènes uit het plattelandsleven in de achtertuin van Brussel. Hierdoor werd hij snel bestempeld als de ‘Boerenbruegel’. Op zijn pad door het Pajottenland kwam hij wellicht ook langs het oorspronkelijk hof van de Meisenierschuur.

Het hof bestaat immers uit de vroege Middeleeuwen. In de oudst gekende Tiendenbeschrijving uit 1231 komt het hof met de bijhorende wijk reeds voor onder de naam “Wivercen” (van “Viversali” een samentrekking van het Latijnse “Vivarium” of vijvers en het Oudgermaanse “sala” of woonplaats). In 1356 werd dit geschreven als “Vivercheins”, in 1406 “Viverchines”, in 1690 “Vijverchenen” om dan uiteindelijk naar “Vijverselen” te evolueren in de recente geschiedenis.

Dankzij de opgegraven potscherven en andere artefacten kan met zekerheid gesteld worden dat het hof behoort tot de oudste Frankisch-Merovingische nederzettingen uit de regio.

Sinds 1974 werd het domein met monnikengeduld volledig gerestaureerd door de familie Leyssens. Ze gaven het hof Wivercen haar middeleeuwse allure terug. Centraal in dit hof staat de imposante Meiseniersschuur.

Wat betekent Meisenier eigenlijk?

Met “Meisenier” wordt een boer bedoeld die een aantal rechten en bezittingen had verworven van de adel. Het meiseniersschap was een erfelijk juridisch statuut, typisch voor het westen van Brabant.

Een meisenier moest zich registreren bij de schepenbank van Grimbergen, die een een attest of meiseniersbrief uitgevaardigde.

Hoewel het statuut veel ouder is, stammen de bewaarde meiseniersbrieven voornamelijk uit de periode 1500-1795. De voorrechten van de meiseniers bleven in voege tot het einde van het Ancien Régime, eind 18de eeuw.

Hoewel het statuut veel van zijn oorspronkelijke betekenis had verloren, bleven afstammelingen zich vanwege het prestigieus karakter ervan registreren als meisenier. Tot op vandaag dragen betrokken families de titel met fierheid.